528-Tetra

home

Nederland
Goodeidae
Tapatia occidentalis

Allodontichthys
      hubbsi
      polylepis
      tamazulae
      zonistius
Alloophorus
      robustus
Allotoca
      Aquiles Serdan
      catarinae
      diazi
      dugesii
      goslinei
      maculata
      meeki
      regalis
      zacapuensis
Ameca
      splendens
Ataeniobius
      toweri
Chapalichthys
      encaustus
      pardalis
      peraticus
Characodon
      audax
      Abraham Gonzales
      Amado Nervo
      Guadalupe Aguilera
      Nombre de Dios
      Ojo de Agua de SJ
      27 de Noviembre
      garmani
      Los Berros
      Los Pinos
      lateralis
Girardinichthys
      ireneae
      multiradiatus
      turneri
      viviparus
Goodea
      atripinnis
Ilyodon
      amecae
      furcidens
      spec. comala
      cortesae
      whitei-lennoni
      xantusi
Skiffia
      bilineata
      francesae
      lermae
      multipunctata
      spec. Zacapu
Xenoophorus
      captivus
      spec. Illescas
Xenotaenia
      resolanae
Xenotoca
      eiseni
      melanosoma
      spec. San Marcos
      variata
Zoogoneticus
      purhepechus
      quitzeoensis
      tequila

Universiteit Morelia

      links

© All rights reserved
Guenter Ellenberg

 

Ataeniobius toweri

Ik ben op zoek naar een Nederlandse vertaling.  Wie kan helpen?

MEEK, 1904

Deutsche Bezeichnung:
Blaue Goodea

Familie:
Goodeidae JORDAN, 1923

Unterfamilie:
Goodeinae JORDAN, 1923

Erstbeschreibung:
MEEK, S. E. (1904): The fresh-water fishes of Mexiko North of the Isthmus of Tehuantepec. Field. Col. Mus. Publ. 5: pp. 1 - 252.

Herkunft des Artnamens:
toweri = nach Dr. W. L. TOWER.

Typusfundort:
Obere Nebenflüsse des Rio Panuco bei Rio Verde, San Luis Potosi, Mexiko.

Meristische Angaben:
Dorsale = 11 Flossenstrahlen; Anale = 13 Flossenstrahlen.

Die Haltung von Ataeniobius toweri in Becken von mindestens 80 Litern ist nicht allzu schwierig. Es sollte auf ausreichenden Pflanzenbewuchs, Steinaufbauten und Wurzelholz als Versteckmöglichkeiten geachtet werden, da diese Art eine scheue Lebensweise an den Tag legt und demzufolge gerne geschützt steht.

Die Temperaturen sind für Goodeiden ungewohnt hoch und sollten dauernd zwischen 26 °C und 28 °C liegen. Ataeniobius toweri ist anfällig gegen Fischtuberkulose, so dass dieser Krankheit mit regelmäßigen Wasserwechseln (wöchentlich ca. 30%) begegnet werden sollte.

Die Männchen erreichen ca. 8 cm, die Weibchen bis 10 cm Länge.

DOMINIC ISLA berichtet von 25 cm (!) langen Exemplaren, die er in der Sammlung von Dr. SALVATOR CONTRERAS BALDERAS an der Universidad Autonoma de Nuevo Leon in Monterrey untersuchen durfte.

Exemplare von gut 13 cm Länge konnte DOMINIC ISLA in dem 400-Liter fassenden toweri-Aquarium von JOHN MANGAN beobachten, die zudem auch die Farben aufwiesen, wie sie in der Natur vorhanden sind.

Ataeniobius toweri bevorzugt schnell fließendes Wasser. In der Laguna Media Luna wurden von DOMINIC ISLA große Schwärme dieser Art beobachtet. Das Wasser war 1 - 1,7 m tief, der Bodengrund bestand aus Steinen und Kies.

Das Futter sollte einen hohen pflanzlichen Anteil haben. Daneben wird aber auch Lebend-, Frost- und Flockenfutter angenommen.

Die Zucht ist auch unter optimalen Haltungsbedingungen nicht ganz einfach, gelingt aber häufiger. Es können bis zu 30 Jungtiere pro Wurf abgesetzt werden. Die Trächtigkeitsdauer beträgt 6 bis 7 Wochen.

Auffallend ist, dass während der kühleren Jahreszeit eine Wurfpause eingelegt wird.

Aufgrund der geringen Verbreitung ist bei dieser Art eine größere Artvariabilität festzustellen.

Ataeniobius toweri hat in der Natur mit zunehmender Umweltverschmutzung und Biotopvernichtung zu kämpfen und gehört damit zu den bedrohten Arten.

 

Entnommen: Aqualog Verlag
Titel: Alle Lebendgebärenden,
Foto van: Manfred K. Meyer.
Vindplaats: Media Luna, San Luis Potosi, Mexico, Wildform, Man, 8 cm.

 

 

Entnommen: Aqualog Verlag
Titel: Alle Lebendgebärenden,
Foto van: P. Schubert.
Vindplaats: Obere Nebenflüsse des Rio Panuco, San Luis Potosi, Mexico.
Nachzucht, Man, 8 cm.

 

 

Entnommen: Aqualog Verlag
Titel: Alle Lebendgebärenden,
Foto van: Uwe Werner.
Vindplaats:: Obere Nebenflüsse des Rio Panuco, San Luis Potosi, Mexico.
Nachzucht, Vrouw, 10 cm.

 

 

Entnommen: Aqualog Verlag
Titel: Alle Lebendgebärenden,
Foto van: J. C. Merino.
Vindplaats: Obere Nebenflüsse des Rio Panuco, San Luis Potosi, Mexico.
Nachzucht, Man, 8 cm.

 

 

Entnommen: Aqualog Verlag
Titel: Alle Lebendgebärenden,
Foto van: J. C. Merino.
Vindplaats: Obere Nebenflüsse des Rio Panuco, San Luis Potosi, Mexico.
Nachzucht, Vrouw, 10 cm.

 

 

 

Beschrijving:
Brian & Simone Kabbes, Mexico 1998 / 1999

Vindplaats:
Laguna Media Luna, San Luis Potosi, Mexico

Datum: 12 december 1999
Tijdstip:
13.00 u.

Ligging Vindplaats:
Meer, ten zuidwesten van het stadje Rio Verde. Circa 3 kilometer ten westen van de stad voert een zandpad langs een betonnen kanaal, na circa 11 kilometer naar de Laguna Media Luna.

Biotoopomschrijving:
Een relatief klein meer dat in de vorm van een rivier afwatert. Deze rivier wordt later gekanaliseerd en dient als bevloeiingsbron van omliggende akkers. Op de vangplaats is een recreatieoord voor de plaatselijke bevolking. Langs de stijl aflopende oevers staan grote bomen. Het water is tot enkele meters diep en tot op de bodem doorzichtig. De bodem bestraat uit klei. In het water is slechts spaarzaam watervegetatie aanwezig, voornamelijk waterlelies.

Omgevingsbeschrijving:
Door de recreatieve functie van deze locatie is een deel van het biotoop enigszins verstoord, maar het een en ander maakt toch een verrassend vitale indruk. In de omgeving van de monsterplaats staan een aantal kleed-cabines en andere kleine bebouwingen. Het landschap bestaat uit moerasland en in de verdere omgeving land-bouwgronden.

Opmerking:
De gevangen Poecilia latipunctata Meek, 1904 houden zich allen langs de oevers op, terwijl Poecilia mexicana limantouri Jordan et Snyder, 1900 de voorkeur aan open water geeft.

Luchttemperatuur: 26.9 °C
Watertemperatuur:
  28.8 °C

Ph 7,2
KH 17°dH
GH/TH 23°dH
Nitraatgehalte 0 mg/l (ppm)
Nitrietgehalte 0 mg/l (ppm)
 

 

Ataeniobius toweri
Vindplaats: Laguna Media Luna, San Luis Potosi, Mexico

 

 

755-Laguna-Media-Luna_1
Ataeniobius toweri
Vindplaats: Laguna Media Luna, San Luis Potosi, Mexico

 

 

756-Laguna-Media-Luna-01_1
Ataeniobius toweri
Vindplaats: Laguna Media Luna, San Luis Potosi, Mexico

 

 

 

De blauwstaart hooglandkarper, een geïsoleerde soort

door KEES DE JONG

Een aantal soorten dat tot de groep van Mexicaanse hooglandkarpers behoort, heeft de naam moeilijk te houden en te kweken te zijn. Eén van de soorten waarvan dit wordt gezegd is Ataeniobius toweri of de blauwstaart hooglandkarper zoals de Nederlandse naam luidt. De soort wordt op bijeenkomsten van gespecialiseerde liefhebbers zelden tot nooit aangeboden en ik was dan ook erg verrast toen ik in 1994 tijdens een show in Duitsland enkele exemplaren van Schotse hobbyisten kon krijgen.

Systematiek
Ataeniobius toweri behoort samen met zo’n 25 andere soorten tot de groep van de Mexicaanse hooglandkarpers of Goodeidae. Deze groep is vooral bekend door het feit dat de soorten levendbarend zijn en dat er een duidelijke uitwisseling van voedingsstoffen tussen het lichaam van het vrouwtje en de jongen plaatsvindt, iets wat bij de meeste levendbarende tandkarpers minder duidelijk is. Om voedsel uit het moederlichaam op te nemen beschikken de jongen over een soort navelstreng, trophotaenia geheten. Deze is gevormd door speciaal aangepast darmcellen. Bij de meeste jongen is dit snoer enkele uren tot enkele dagen na de geboorte duidelijk zichtbaar.

De soort werd in 1904 door MEEK in 1904 als Goodea toweri beschreven. De verschillen met de andere soorten in het genus Goodea waren voor HUBBS & TURNER in 1937 aanleiding om de soort in het nieuwe genus Ataeniobius te plaatsen.  ‘Ataeniobius’ betekent ‘leeft zonder trophotaenia’ en dit verwijst naar het feit dat de jongen van de soort geen ‘navelstreng’ hebben. Het is de enige hooglandkarper waarbij deze ontbreekt. De soort neemt dan ook een geïsoleerde positie binnen deze groep in. De uitwisseling van voedingsstoffen vindt bij deze soort plaats via een kleine verdikking aan het uiteinde van de dikke darm van de jongen plaats. De wetenschappers zijn het er niet over eens of dit nu een primitieve of juist meer ontwikkelde vorm is binnen de groep van de hooglandkarpers.

Hieronimus (1995) geeft aan dat recent onderzoek duidelijk heeft gemaakt dat de verschillen van de soort met andere soorten uit het genus Goodea dusdanig klein zijn dat Ataeniobius toweri mogelijk toch weer in dit genus geplaatst zal worden.

Van de hooglandkarpers is bekend dat de verschillen tussen de soorten niet groot zijn. Sommige soorten zijn zowel qua uiterlijk als genetisch nauwelijks te onderscheiden van andere. Het is een groep dieren die zich in evolutionair opzicht nog volop aan het ontwikkelen is. De kleine onderlinge verschillen zorgen er voor dat er nauwelijks een barrière is die er in het aquarium voor zorgt dat de soorten niet onderling kruisen. Hoewel er niet veel over bekend is, ontstaan er waarschijnlijk snel bastaarden uit een paring tussen twee verschillende soorten. In sommige gevallen is de afstand tussen twee soorten uit verschillende genera reeds gering. Er zijn inmiddels wel kruisingen binnen het genus Characodon (Kunath, 1990) en in het genus Skiffia (zie Wischnath, 1993) bekend.

Het verdient dan ook aanbeveling om bij het samen houden in het aquarium van soorten uit deze interessante groep dusdanig verschillende soorten te houden dat er geen ongewenste bastaarden kunnen ontstaan. Deze voegen over het algemeen niets aan de reeds aanwezig soorten toe en leiden al snel tot allerlei misverstanden wanneer ze bij andere liefhebbers terecht komen. Wanneer we dan ook nog in ogenschouw nemen dat een groot aantal van de soorten in het natuurlijke biotoop wordt bedreigd, zal het duidelijk zijn dat het houden van de zuivere soort (indien mogelijk met oorspronkelijk vangplaats), veel meer nut heeft dan het kweken en houden van allerlei bastaarden.

Verspreiding
De blauwstaart hooglandkarper wordt slechts aangetroffen in Laguna Media Luna in de buurt van de plaats Rio Verde in de staat San Luis Potosi in Mexico. Ze is hiermee de meest oostelijke vertegenwoordiger van de hooglandkarpers en geografisch geïsoleerd.

Volgens WILDEKAMP (1995) wordt de soort net als de in hetzelfde gebied voorkomende killi Cualac tesselatus Miller, 1956 bedreigd. Als reden hiervoor geeft hij in de eerste plaats faunavervalsing in de vorm van de zeilvinmolly (Poecilia latipinna) en Gambusia en Tilapia soorten. In de tweede plaats speelt de milieuvervuiling een belangrijke rol. Door het gebruik van grote hoeveelheden water om landbouwgrond te irrigeren, wordt het toch al kleine biotoop nog verder bedreigd. De omstandigheden in het natuurlijke verspreidingsgebied zijn dusdanig slecht dat de soort is opgenomen in het kweekprogramma van bedreigde Mexicaanse vissoorten van de universiteit van  Nuevo Leon (Gonzalez, 1995). We hebben hier kortom te maken met een soort waarvan het voortbestaan op korte termijn afhankelijk kan zijn van de in gevangenschap gehouden dieren! Aquariumhouders kunnen bij het voortbestaan van deze soort een belangrijke rol spelen.

Het biotoop bestaat uit een aantal warmwaterbronnen met daaromheen een aantal stroompjes en moeras. Verder is er een aantal irrigatiekanalen aangelegd. Het water is zwavelhoudend en heeft een temperatuur die niet onder de 28°C komt. ‘s Zomers kan de temperatuur oplopen tot ongeveer 30°. De hardheid is erg hoog, namelijk boven de 50°dH. Er worden veel algen aangetroffen. De blauwstaart hooglandkarper wordt meestal in het stro-mende water aangetroffen.

Andere soorten die samen met A. toweri voorkomen, zijn volgens Hieronimus (1995) cichliden, de karperzalm Astyanax fasciatus, de meerval Ictalurus mexicanus en een arenvis (Dionda rasconis). André Schonewille ving bij Laguna Media Luna een bijzonder fraaie vorm van de kortvinnige molly Poecilia mexicana.

Uiterlijk
A. toweri is torpedovormig van bouw. Een typische bewoner van snelstromende watertjes. Op het bruine li-chaam ligt een blauwgroene glans. Wanneer de vissen schrikken, zijn er op het lichaam twee horizontale strepen met daartussen een lichte baan te zien. Deze tekening is tevens het jeugdkleed. Wanneer de mannetjes in goede conditie zijn, hebben ze een blauwe staart. De vinnen zijn verder zo goed als kleurloos. Over het algemeen maakt de soort een grauwe indruk. Het is geen kleurrijke vis en het zal dan ook wel nooit een populaire aquari-umvis worden.

Qua kleur en bouw zijn de twee geslachten moeilijk uit elkaar te houden. Ook drachtige vrouwtjes blijven hun slanke lichaamsbouw houden. Het beste is het geslacht aan de hand van het andropodium vast te stellen. De mannelijke aarsvin van de hooglandkarpers is omgevormd tot een, voor deze groep zo kenmerkend, geslachtsorgaan, het andropodium. Hoewel dit bij de blauwstaart hooglandkarper niet zo duidelijk ontwikkeld is als bij sommige andere soorten, is de inkeping in de aarsvin van de mannetjes een duidelijk geslachtskenmerk.

Verzorging en kweek
De blauwstaart hooglandkarper heeft de naam lastig te houden en moeilijk te kweken te zijn. Wanneer we naar de gegevens over het natuurlijke biotoop kijken, kan hieruit al een aantal mogelijk oorzaken worden gehaald voor problemen bij het de verzorging. Het water in het natuurlijke biotoop is zeer hard en het houden van de soort is dan ook bijna niet mogelijk op zacht water. Zelf houd ik de soort zonder problemen bij een hardheid van rond de 14°dH. Ook aan de temperatuur is mij niet alles gelegen. Een temperatuur van rond de 28 °C krijgt de soort bij mij zeker niet. Hoewel het ‘s zomers af en toe wel eens meer dan 30 °C in mijn kweekhok is, staat daar een wintertemperatuur van rond de 18°C tegenover. Hoewel de vissen bij een lager temperatuur iets minder aktief zijn, doen ze het verder prima. Wat volgens mij één van de belangrijkste redenen voor het niet goed kunnen houden van de soort is, is het niet voldoende verversen van het water. Net als alle hooglandkarpers is ook A. toweri erg gevoelig voor de waterkwaliteit. Hoewel de vissen uit deze groep in Mexico ook in sterk vervuild water worden aangetroffen, zijn ze in het aquarium erg gevoelig voor watervervuiling van welke aard dan ook. Om de vissen in een goede conditie te houden, ververs ik elke week 50% van het water. Natuurlijk hangt de waterkwaliteit ook af van de visbezetting in relatie tot de hoeveelheid water, maar het is beter om geen risico te nemen en het water minstens eenmaal per veertien dagen te verversen.

De blauwstaart hooglandkarper is een rustige soort die een speciaalaquarium of een aquarium met rustige medebewoners nodig heeft. Ook dan mogen grote groepen planten waarin de vissen zich af en toe terug kunnen trekken niet ontbreken. Het samenhouden met andere wilde soorten heeft tot gevolg dat de blauwstaart zich niet meer laat zien of bleek in een hoekje gaat hangen. Een groot verschil met andere hooglandkarpers als Ameca splendens die zelf wel bepalen wat er in hun directe omgeving gebeurt.

Zelf houd ik de blauwstaart hooglandkarper al enkele jaren samen met de killi Luceinia goodei. Hoewel dit geen echt voor de hand liggende combinatie is die door toeval is ontstaan, gaat het bij mij uitstekend. Beide soorten zijn erg rustig en hebben door hun schuwe aard behoefte aan schuilplaatsen in de planten. De hooglandkarper bewoont de bovenste waterlagen en de killi blijft in de buurt van de bodem zijn kostje opscharrelen.

Tegen de achterwand van het aquarium heb ik grote bossen Javamos, op de voorgrond staat een aantal laagblijvende planten. De filter zorgt voor een stevige beweging van het voorste deel van het aquarium. Het is metname dit deel van het aquarium waar de hooglandkarpers in de stroom staan. Dit gedrag kon André Schonewille ook in de natuur bij deze vissen waarnemen. In het achterste deel met de planten trekken de vrouwtjes zich terug om hun jongen te werpen. Tussen de planten leggen de killi’s hun eitjes en door de grote hoeveelheid mos blijven er van deze soort ook altijd genoeg over om mijn groep in stand te houden.

De kweek van de blauwstaart hooglandkarper wordt vaak als moeilijk omschreven. Bij mij is in de bak van 100 cm echter altijd een groep jongen aanwezig. Deze pasgeboren jongen worden door de ouders niet achtervolgd en na zich enkele dagen in de planten verscholen te hebben, vertonen ze zich telkens meer. Af en toe worden er jongen te vroeg geboren en ik vind dan een groot aantal volgroeide maar dode jongen op de bodem. Een oorzaak kan ik hiervoor niet geven. Ik kan geen verband ontdekken met vroeggeboorte enerzijds en waterverversen, ander voer of een andere vorm van stress anderzijds. Verreweg de meeste jongen worden bij mij echter levend en in een goede gezondheid geboren. Afhankelijk van het formaat van het vrouwtje zijn dit er bij mij maximaal twintig. Jonge en kleine vrouwtjes werpen de eerste keer echter veel minder jongen. Mijn kweekgroep neemt dan ook vaak snel in aantal toe. Met enige regelmaat moet ik vissen verwijderen om overbevolking tegen te gaan. Echt moeilijk kan ik de kweek zeker niet noemen. In het begin had ik wel enige aanloopproblemen. Mogelijk dat dit mede werd veroorzaakt door het feit dat er geen goede kweekgroep was. Nu de vissen in een school zwemmen met dieren van allerlei formaten en leeftijden, gaat de kweek eigenlijk vanzelf.

Langhammer (1995) noemt het houden in een school een belangrijke succesfactor voor het al dan niet slagen van de kweek bij hooglandkarpers. Volgens hem is het gedrag van de soorten erg complex en wordt dit verstoord wanneer men slechts enkele vissen bij elkaar houdt. Wanneer de dieren hun specifieke gedrag niet goed kunnen uiten, is er een grote kans dat de voortplanting niet goed wil lukken. Langhammer stelt de complexiteit  van het sociale gedrag van de Goodeidae gelijk aan dat van de Cichliden. Zelf heb ik regelmatig naar het gedrag van de blauwstaart hooglandkarper zitten kijken. Vooral wanneer het water net ververst is, is er sprake van een grote interactie tussen de verschillende leden van de groep. Naast het baltsen wordt ook een pikorde bepaalt, waarbij de vissen achter elkaar aan jagen. Dit beperkt zich tot het naar elkaar happen, de vissen beschadigen elkaar hierbij niet. Het is erg lastig om een goed beeld te krijgen van de exacte interactie tussen de vissen. Mij is het niet gelukt om een pikorde vast te stellen. Het feit dat de vissen onderling nauwelijks uit elkaar te houden zijn, maakt dit ook bijna een onmogelijke opgave.

Wanneer het water net ververst is, is het baltsgedrag het duidelijkst waar te nemen. Hierbij trilt het mannetje met gespreide vinnen voor het vrouwtje. Ook het vrouwtje neemt actief deel aan dit voorspel door haar lichaam heen en weer te schommelen. In tegenstelling tot wat bij de levendbarende tandkapers het geval is, nemen de wijfjes actief deel aan de balts. De paring is bij de blauwstaart hooglandkarper slecht waar te nemen. Bij andere soorten zoals de groene hooglandkarper (Xenoophorus captivus) wordt bijna elke balts gevolgd door een (poging tot) paring, bij A. toweri heb ik de definitieve paring nauwelijks waar kunnen nemen. Bij de paring zwemmen het mannetje en het vrouwtje vlak naast elkaar en brengt het mannetje de sperma met behulp van zijn tot geslachtsorgaan vergroeide aarsvin in de geslachtsopening van het vrouwtje. De jongen worden na ongeveer acht weken geboren.

Qua voedsel is A. toweri geen lastige kostganger. Alle voer wordt gegeten. Waarschijnlijk vormen algen in het natuurlijk biotoop een belangrijke voedselbron. De vis heeft in verhouding lange darmen en dit duidt er op dat plantaardige kost een belangrijk bestanddeel van het voedsel is. Langhammer geeft aan dat de omnivore hooglandkarpers niet te zwaar gevoerd moeten worden. Een goede kwaliteit droogvoer is volgens hem voldoende. Het vaak verstrekken van allerlei soorten levend voer kan volgens hem tot gevolg hebben dat de jongen in het lichaam van het vrouwtje te veel voedsel krijgen en te groot worden. Dit kan zelfs de dood van het vrouwtje tot gevolg hebben.

Zelf voer ik mijn Goodeidae ongeveer twee maal per week dierlijk voedsel als diepvries muggelarven. Verder bestaat het voedsel uit watervlooien en droogvoer. Artemia’s krijgt deze soort praktisch nooit.

Hoewel er mogelijk mensen zijn met andere ervaringen, is de blauwstaart hooglandkarper niet echt moeilijk te houden. De vis stelt echter een aantal eisen waaraan voldaan zal moeten worden om de soort ook over een langere periode te houden en te kweken. Aangezien de soort in zijn natuurlijke biotoop met uitsterven wordt bedreigd, is het kweken door aquarianen misschien op korte termijn de enige manier de blauwstaart hooglandkarper om te overleven. Het is dan ook te hopen dat een aantal aquarianen zich om deze soort bekommerd.

Literatuur
•Hieronimus, H. (1995) Die Hochlandkärpflinge, Westarp Wissenschaften ISBN 3-89432-408-2.
•Wildekamp, R.H. (1995) A world of killies Volume II, American Killifish Association
•Kunath, D. (1990) Die Kreuzung von Characodon lateralis Günther, 1866 mit Characodon audax Smith & Miller, 1986, ZAG Lebendgebärende Zahnkarpfen 2 blz. 7-9
•Wischnath, L. (1993) Atlas of livebearers of the world TFH
•Langhammer, J.K. (1995) Skiffia francesae A fish on the edge of tomorrow! Can we save it? Aquatic Survival 4 blz. 15-19
•Gonzalez, C..A. (1995)  Universidad atonoma de Nuevo Leon - Programs for the endangered fish species of Mexico, Aquatic Survival 3 blz. 14-15

 

 

Literatuur

508-Kees de Jong

 

Ataeniobius toweri (Meek, 1904)

C. Aguilera (1995) : Universidad atonoma de Nuevo Leon - Programs for the endangered fish species of Mexico. Aquatic Survival  (3): 14-15

J. Dawes (1980) : Goodeidae. Het Aquarium (15): 467-468

J. Dawes (1997) : Goodeiden Teil 3: Allgemeine Hinweise zur Pflege und Zucht sowie Kurzbeschreibungen zu einigen Arten (1). Das Aquarium  (342): 16-19

J. Dawes (1997) : Goodeiden Teil 1: Einführung in die Familie Goodeidae. Das Aquarium  (340): 12-15

J. Dawes (1997) : Goodeiden Teil 2: Die "Inside Story". Das Aquarium  (341): 12-15

I. Dibble (1999) : Hobbyist Aqua Lab Conservation Group "Mexico" Dagboek over de voortgang Deel 1. Poecilia Nieuws  (5): 105-110

C. Grimes (1979) : Mix and match. Livebearers  (43): 11-14

H. Hieronimus (1993) : Eihüll der Goodeiden. DGLZ-Rundschau  (2): 35-35

H. Hieronimus (1993) : Ataeniobius zu Goodea gestellt. DGLZ-Rundschau  (3): 64-64

H. Hieronimus (1993) : Lebendgebären - was ist das?. DGLZ-Rundschau  (3): 57-59

D. Isla (1999) : Zurück in Zacapu!. DGLZ-Rundschau  (2): 56-60

K. de Jong (1996) : De blauwstaart hooglandkarper, een geïsoleerde soort. Poecilia Nieuws  (6): 138-145

K. de Jong (1997) : De blauwstaart hooglandkarper, een geïsoleerde soort. Het Aquarium  (10): 238-241

K. de Jong (2003) : Op zoek naar zwaarddragers Mexico 2002 (tweede deel). Poecilia Nieuws  (5): 70-82

K. de Jong (2004) : Auf der Suche nach den Schwertträgern Mexiko 2002 (Teil 2). Das Lebendgebärenden Magazin  (1): 5-17

M. Kempkes (2001) : Shockverhalten bei Goodeiden. DGLZ-Rundschau  (2): 31-32

P. Lambert (0) : Aquarian endangered species expedition. Viviparous  (21): 0-

D. Lambert (1990) : Goodeid, sport!. Livebearers  (109): 10-12

D. Lambert (1997) : Ataeniobius toweri. Viviparous  (39): 0-

J.K.  Langhammer (1976) : The lost treasure of the Aztecs. Livebearers  (28): 2-5

P. Loiselle (1992) : The Grim Reaper Deser Fishes Status Report. Livebearers  (124): 7-10

J. Mangan (1985) : Courtship and reproduction of Goodeids. Livebearers  (80): 8-9

J. Mangan (1989) : A new color morph of Ataeniobius toweri. Livebearers  (105): 3-5

S.E.  Meek (1904) : The fresh water fishes of Mexico north of the Isthmus of Tehuantepec. Field Columbian Museum - Zoology  (5): 1-252

E. Meinema (1992) : Die aus die kalte kommen. Poecilia Nieuws  (4): 17-20

R.R.  Miller (1956) : A new genus and species of cyprinodontid fish from San Luis Potosi, Mexico with remarks on the subfamily Cyprinodontinae. Occasional papers of the museum of zoology University of Michigan  (581): 1-17

T. Neal (1997) : Bluetail  Goodeid. Livebearers  (147): 25-27

A.C.  Radda (1986) : Cyprinodonte vissen uit Mexico 1. Poecilia Nieuws  (1): 12-15

A.C.  Radda (1990) : Studien an cyprinodonten Fischen in Mexico, 1. Reisen 1978 u. 1979. DGLZ-Rundschau (2): 12-21

B. Snook (1985) : Goodeids. Livebearers (83): 6-8

E.C.  Taylor (1984) : Hooglandkarpers (vervolg). Poecilia Nieuws  (2): 5-6

L. Wischnath (1996) : Hooglandkarpers uit Mexico. Het Aquarium  (2): 32-36